Jeugdrecht

jeugdrechtJeugdrecht

Minderjarigen staan onder gezag van hun wettelijke vertegenwoordiger. Meestal zijn dat de ouders, maar het kan ook een voogd of twee voogden zijn die de voogdij uitoefenen.

In de meeste gevallen groeit een kind op bij zijn eigen ouders of bij één van de ouders. Dit is een recht dat zowel het kind als de ouders hebben op grond van het Internationale Verdrag voor de Rechten van het Kind als ook op grond van het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens. Maar soms zijn er omstandigheden die maken dat de ouders de opvoeding van de kinderen, al dan niet tijdelijk, niet meer alleen aankunnen. Soms is hulp vanuit de omgeving voldoende om de situatie te verbeteren, maar soms ook niet. Als hupverlening in het vrijwillig kader onvoldoende is, grijpt de overheid in. Er kan dan besloten worden dat er dan een kinderbeschermingsmaatregel moet worden opgelegd. Dat gebeurt dan meestal in de vorm van een ondertoezichtstelling al dan niet in combinatie met een uithuisplaatsing. Bij een ondertoezichstelling wordt er opvoedingsondersteuning geboden en kan het kind thuis blijven wonen. Het kind kan als er sprake is van een uithuisplaatsing, ook (tijdelijk) in een pleeggezin of instelling terechtkomen. De rechter neemt hier een beslissing over. Er kan zich ook de situatie voordoen dat er een ontheffing of een ontzetting nodig is. Dit is een zeer ingrijpende maatregel voor zowel het kind, de ouders en de directe omgeving. Het gezag wordt dan immers bij de ouders weggehaald. Het is van groot belang dat het kind en de ouders op deskundige wijze worden bijgestaan, zodat hun belangen zo optimaal mogelijk worden gewaarborgd.